Uitspraak: belang van het goed vastleggen van afspraken

Op 23 juli jl. heeft de kantonrechter te ‘s-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een zaak waarin ons kantoor eiseres bijstond. Kort samengevat speelde deze zaak tussen een uitvaartonderneemster en de erfgename van een overledene. De overledene had bij leven verschillende wensen voor haar begrafenis en laatste rustplaats besproken en vastgelegd. Al deze wensen zijn door de uitvaartonderneemster in acht genomen en opgevolgd. Na afloop van de begrafenis bleef de factuur van de uitvaartonderneemster echter onbetaald: de erfgename van de overledene betwistte onder meer de echtheid van de handtekening van haar moeder en stelde dat de uitvaart van haar moeder niet zo (omvangrijk) had mogen worden georganiseerd door de uitvaartondeemster.

In een tussenvonnis van medio november 2019 heeft de kantonrechter bepaald dat de stelplicht en bewijslast voor het bestaan en de omvang van de opdracht die de overledene aan de uitvaartonderneemster had verstrekt rustte op de uitvaartonderneemster. Hiertoe gaf de kantonrechter drie bewijsopdrachten mee aan de uitvaartondernemer:

  1. bewijs werd verlangd ter zake het bestaan en de omvang van de opdracht;
  2. bewijs werd verlangd met betrekking tot de echtheid van de handtekening van de overledene door middel van een deskundigenbericht;
  3. bewijs werd verlangd van het feit dat de uitvaart in overeenstemming was met de wijze waarop de overledene leefde.

De kantonrechter heeft daarbij direct opgemerkt dat als route 1 naar een geslaagde bewijslevering zou leiden, routes 2 en 3 niet meer bewandeld hoefden te worden. 

Vordering
De uitvaartonderneemster vorderde in hoofdsom een bedrag van € 16.154,20. Deze hoofdsom bestond uit verschillende bedragen, zoals de aanschaf van een uitvaartkist, de kosten voor het mortuarium en het grafrecht (ad € 9.500,00), personele kosten, de kosten voor bloemen en een fluitiste op de begraafplaats.

De uitvaartonderneemster stelde dat de overledene de invulling van de uitvaart met haar heeft besproken en aan haar heeft opgedragen, waarvoor zij verwees naar een document met de titel wilsbeschikking. In dit document stond samengevat dat de overledene aan de uitvaartonderneemster de opdracht tot het verzorgen van de uitvaart heeft verstrekt, dat de invulling van de uitvaart bekend was bij de uitvaartonderneemster en dat de overledene begraven wenste te worden op een specifieke natuurbegraafplaats.

Getuigenverklaringen
Om te voldoen aan de bewijsopdracht heeft de uitvaartonderneemster gekozen voor bewijslevering door het doen horen van getuigen. De uitvaartonderneemster heeft gesteld dat zij is benaderd door de overledene en dat zij in 2017 bij de overledene thuis is geweest. Op een later tijdstip is de uitvaartonderneemster ook bij de overledene op bezoek geweest in het ziekenhuist. De uitvaartonderneemster heeft verklaard dat zij met een opzetje voor de wilsbeschikking naar het ziekenhuis is gegaan: dat opzetje had zij in het ziekenhuis getypt en in tweevoud geprint. Tijdens het gesprek tussen de uitvaartonderneemster en de overledene was een getuige aanwezig. De getuige zou aanwezig geweest zijn bij het bespreken van de wensen van de overledene en bij het bespreken van de kosten, maar niet bij het ondertekenen van de wilsbeschikking. De uitvaartonderneemster heeft al tijdens het gesprek in het ziekenhuis de overledene uitgelegd dat je, als je begraven wenst te worden op een natuurbegraafplaats, je daar een speciale kist voor nodig hebt. Ook zouden ze gesproken hebben over de vaste kosten van een begrafenis; over de dragers, de rouwauto, over een bloemenarrangement, over de fluitiste en over de uitgebreide koffietafel bij een specifiek restaurant, in het kader waarvan de uitvaartonderneemster een raming zei te hebben gedaan van € 20.000,- voor alle kosten bij elkaar.

Meerdere getuigen hebben een schriftelijke verklaring afgelegd en zijn als getuige door de kantonrechter gehoord. Zo verklaarde een getuige dat de overledene de opdracht tot het verzorgen van de begrafenis heeft verstrekt aan de uitvaartonderneemster en om welke redenen de overledene voor de uitvaartonderneemster had gekozen. Voorts verklaarde de getuige dat ter sprake was gekomen dat de overledene begraven wilde worden op een natuurbegraafplaats en dat ze aangaf, toen ze op de kosten werd gewezen door de uitvaartonderneemster, dat ze dat voor lief nam. Daarnaast wilde de overledene graag een fluitiste op haar begrafenis en werden andere verzoeken besproken. Deze getuige heeft ook verklaard aanwezig te zijn geweest bij het ondertekenen van de wilsbeschikking door de overledene en gezien te hebben dat de overledene de wilsbeschikking aan de notaris heeft overhandigd.

Een andere getuige verklaarde dat de overledene de wensen die zij had met betrekking tot haar uitvaart met hem besproken had toen hij op bezoek was in het ziekenhuis. Daarnaast verklaarde de getuige dat hij de overledene aan de notaris heeft horen vertellen dat zij aan de uitvaartonderneemster de opdracht tot het verzorgen van de uitvaart heeft verstrekt. Ook de wilsbeschikking had de getuige gezien.

Ook de notaris heeft een verklaring afgelegd met betrekking tot de wilsbeschikking, waarvan de echtheid door de erfgename van de overledene werd betwist. De notaris heeft verklaard dat zij de overledene heeft bezocht in het ziekenhuis, dat zij daar twee gesprekken heeft gehad met de overledene en dat zij de wilsbeschikking herkent en dat zij daarvan een exemplaar in haar administratie heeft. De notaris wenste niet te verklaren of het een kopie of een origineel exemplaar betrof. De notaris wenste verder geen antwoord te geven op de vraag of zij er van op de hoogte was of Moeder de opdracht tot het verzorgen van de uitvaart aan de uitvaartonderneemster had verstrekt en kon niet verklaren of de overledene daarover iets tegen haar had gezegd. Wel bevestigde zij dat zij na het overlijden van de overledene contact heeft gehad met de uitvaartonderneemster over de uitvaart en dat zij aan de erfgename van de overledene heeft verteld dat zij over de uitvaart contact kan opnemen met de uitvaartonderneemster.

De erfgename van de overledene heeft in de procedure afgezien van haar recht op contra-enquête. In de conclusie na enquête heeft de uitvaartonderneemster gesteld dat dat zij in haar bewijsopdracht is geslaagd omdat uit de getuigenverklaringen blijkt dat zij opdracht heeft gekregen van de overledene om de uitvaart te verzorgen en dat de inhoud van de opdracht luidt zoals eerder al was gesteld. De erfgename van de overledene stelde dat de uitvaartonderneemster niet was geslaagd in haar bewijsopdracht, gelet op tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuigen.


Bewijswaardering
Daarop heeft de kantonrechter voorop gesteld dat
de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv). Een uitzondering hierop vormen onder meer de dwingende bewijskracht van bepaalde stukken (zoals onderhandse en authentieke aktes (artikel 156 e.v. Rv) en de beperkte bewijskracht van een partijgetuige (artikel 164 lid 2 Rv). Daarbij kan een getuigenverklaring slechts als bewijs dienen als de verklaring betrekking heeft op de getuige uit eigen waarneming bekende feiten (163 Rv). Feiten van algemene bekendheid mogen door de kantonrechter aan haar beslissing ten grondslag worden gelegd, zonder dat deze zijn gesteld en zonder dat daaromtrent bewijs moet worden geleverd (149 lid 2 Rv).

Daarop heeft de kantonrechter geoordeeld dat de uitvaartonderneemster, voor wat betreft het bestaan van de opdracht en voor wat betreft de uit te voeren werkzaamheden, geslaagd is in de bewijslevering. De kantonrechter acht daarbij van doorslaggevend belang dat: 1) twee getuigen gelijkluidend hebben verklaard over de redenen waarom de overledene de uitvaartonderneemster heeft benaderd; 2) twee getuigen en de uitvaartonderneemster zelf in detail en eensluidend hebben verklaard over de inhoud van de opdracht; 3) de notaris bij de overledene op bezoek is geweest in het ziekenhuis en er een ondertekend exemplaar van de wilsbeschikking in de administratie van de notaris zit.

De kantonrechter heeft verder overwogen dat de erfgename van de overledene terecht aangaf dat er wat verschillen bestaan tussen a) de verklaringen van de uitvaartonderneemster over het vervaardigen van het wilsbeschikkingsdocument b) de verklaringen van de uitvaartonderneemster en een getuige over de aanwezigen bij ondertekening van het document en c) de verklaringen van de twee getuigen over de wijze waarop het document bij de notaris terecht is gekomen. Deze verschillen doen er volgens de kantonrechter echter niets aan af dat i) de inhoud van het document strookt met de verklaringen die de uitvaartonderneemster en de twee getuigen hebben afgelegd en ii) dat er een exemplaar van het document in de administratie van de notaris terecht is gekomen. Volgens de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat herinneringen de werkelijkheid nooit volledig kunnen omvatten. Het is daarom, aldus de kantonrechter, niet verwonderlijk dat bepaalde details die op dat moment niet significant lijken – zoals de ondertekening van een document – niet of niet nauwkeurig worden opgeslagen en andere details – zoals de wensen van een iemand die niet lang meer te leven heeft – beter blijven hangen.

Dat er geen gebruik is gemaakt van het invulformulier “wensen voor de uitvaart” werd door gedaagde opmerkelijk gevonden. De kantonrechter achtte dit niet van belang, aangezien hij het aannemelijk achtte dat het formulier niet gebruikt hoeft te worden als iemand zijn/haar wensen al vrij precies weet. Ook de omstandigheid dat er geen offerte of bevestiging is verstuurd door eiseres doet volgens de kantonrechter niets af aan het tot stand komen van de afspraak.

De overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart kwalificeert de kantonrechter als een overeenkomst van opdracht. Op grond van artikel 7:405 lid 1 BW heeft een opdrachtgever die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf recht op loon. Ingevolge lid 2 is dit het door partijen bepaalde loon of – bij gebreke daarvan – het gebruikelijke loon of – bij gebreke daarvan – een redelijk loon. Ingevolge artikel 7:406 lid 1 BW heeft de opdrachtnemer recht op vergoeding van de onkosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de opdracht, voor zover deze niet in het loon zijn inbegrepen. Niet in geschil is dat eiseres handelde in de oefening van een beroep of bedrijf en uit dien hoofde loon verschuldigd was.

Beoordeling
De kantonrechter oordeelde dat route 1 heeft geleid tot een geslaagde bewijslevering door eiseres. Over exacte prijzen heeft de kantonrechter zich een oordeel kunnen vormen buiten de getuigenverhoren om en daarom konden routes 2 en 3 buiten beschouwing worden gelaten. De kantonrechter heeft vonnis gewezen en daarbij de vordering van eiseres toegewezen.

Leest u graag de hele uitspraak? Het vonnis leest u in het uitsprakenregister op rechtspraak.nl