Verzekeraar moet letselschade ‘shaken baby’ vergoeden

De aansprakelijkheidsverzekeraar van een vader die zijn baby met kracht door elkaar had geschud met

Lees verder >

De aansprakelijkheidsverzekeraar van een vader die zijn baby met kracht door elkaar had geschud met letsel tot gevolg, moet de schade vergoeden. Dat heeft de Hoge Raad bepaald. In zijn uitspraak geeft de Hoge Raad uitleg over de toepassing van de zogenoemde ‘opzetclausule’ in aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren (AVP).

Strafrechtelijke procedure

Een vader heeft zijn baby, een jongetje van bijna zes maanden oud, met kracht door elkaar heeft geschud. De baby liep daardoor blijvend hersenletsel op (shaken baby syndroom). De vader werd strafrechtelijk veroordeeld voor het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel door schuld. Hij kreeg geen straf opgelegd onder meer omdat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar was.

Civiele procedure

In een civiele procedure heeft de moeder, als vertegenwoordiger van de zoon, schadevergoeding van de vader gevorderd voor de gevolgen van het letsel van de zoon. Die vordering is door de rechtbank toegewezen en speelt in de procedure bij de Hoge Raad geen rol meer. Daarnaast heeft de moeder een vordering ingesteld tegen Reaal, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de vader. De wet geeft namelijk in geval van lichamelijk letsel waarvoor een ander aansprakelijk is, aan de benadeelde recht op rechtstreekse betaling van het bedrag dat de aansprakelijkheidsverzekeraar op grond van die verzekering verschuldigd is.

Opzetclausule

Reaal heeft zich tegen deze vordering verweerd met een beroep op de standaard opzetclausule die is opgenomen in de aansprakelijkheidsverzekering van de vader. Daarin staat, kort gezegd, dat de aansprakelijkheid van een verzekerde niet gedekt is indien hij de schade heeft veroorzaakt door een opzettelijke gedraging tegen een persoon of zaak. Volgens Reaal is in dit geval sprake van zo’n opzettelijke gedraging van de vader. Daarom is Reaal van mening dat zij op grond van de opzetclausule in de verzekeringsovereenkomst geen uitkering verschuldigd is.

Zowel de rechtbank als het gerechtshof (ECLI:NL:GHDHA:2015:3916) verwierp het beroep van Reaal op de opzetclausule en wees de vordering van de moeder toe. Reaal stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. In zijn uitspraak geeft de Hoge Raad richtlijnen voor de uitleg en toepassing van de opzetclausule, waarover in de praktijk veel verdeeldheid bestaat. Volgens deze richtlijnen moet worden beoordeeld of de schade toebrengende handeling naar objectieve maatstaven op het schadelijke gevolg was gericht.

Volgens de toelichting van de verzekeraars beoogt de opzetclausule enerzijds vooral schade als gevolg van crimineel gedrag van vergoeding uit te sluiten. Anderzijds heeft de AVP ook een maatschappelijke functie bij schadevoorvallen. De AVP biedt namelijk ook het slachtoffer bescherming tegen schade als gevolg van onrechtmatige gedragingen van de verzekerde. Dat biedt ruimte om, ook bij opzettelijke handelingen die schade veroorzaken, redelijke en maatschappelijk aanvaardbare resultaten te bereiken. De Hoge Raad oordeelt dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de opzetclausule, onder meer omdat de vader sterk verminderd toerekeningsvatbaar was en hij met het schudden alleen maar wilde bereiken dat de baby zou ophouden met huilen. Reaal is dan ook gehouden om op grond van de AVP de schade als gevolg van het letsel van het kind te vergoeden.

Origineel artikel lezen? Klik hier.

Lees minder <

Rechtbank verplicht gesprek tussen scheidende ouders en kinderen

Rechtbank Zwolle verplicht scheidende ouders met hun kinderen in gesprek te gaan, zodat ze in

Lees verder >

Rechtbank Zwolle verplicht scheidende ouders met hun kinderen in gesprek te gaan, zodat ze in samenspraak tot concrete afspraken over de zorgtaken komen. Het betreft een pilot die start per 1 mei en een jaar duurt.

Het ouderschapsplan dat scheidende ouders nu verplicht moeten opstellen bevat de bepaling dat ‘op passende wijze’ betrokken moeten zijn bij het opstellen van het plan. Dit is een vrij holle bepaling. Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, stelt daarom strengere eisen aan de rol van kinderen bij de afspraken die ouders maken.

Bruggesprek

De pilot moet ervoor zorgen dat ouders een zogeheten ‘bruggesprek’ voeren met de kinderen over de verzorging en opvoeding. Ouders die (nog) geen ouderschapsplan hebben en geen gesprek met de kinderen hebben gevoerd, moeten voortaan de rechter informeren over hoe de kinderen reageren op de lopende omgangsregeling.

De Vrije Universiteit en Universiteit Tilburg doen onderzoek naar de effecten van het bruggesprek en de informatieverstrekking over de kinderen. De pilot is een initiatief van de werkgroep Kind en Scheiden. Deze werkgroep bestaat uit familierechters, advocaten, psychologen en scheidingsmediatoren. Ook de Raad voor de kinderbescherming was betrokken bij de ontwikkeling van de pilot.

Rouvoet

De pilot is in lijn met het voorstel dat André Rouvoet, voorzitter van het Platform Scheiden zonder Schade, vorige maand aan het kabinet presenteerde. Met zijn voorstel wil hij de schade van scheidingen voor kinderen zo veel mogelijk te beperken. Rouvoet pleit ervoor dat één rechter de hele scheiding afwikkelt en één ‘gezinsadvocaat’ verantwoordelijk is voor de belangen van alle betrokken.

In het februarinummer van het Advocatenblad zei Rouvoet: ‘Aan het huidige toernooimodel kleven nadelen. Op zich kan een scheiding op tegenspraak heel goed lopen. Maar dat je allebei een advocaat inhuurt die helaas in veel gevallen probeert het gelijk naar zich toe te trekken en de ander te verzwakken in zijn argumentatie, staat onder druk. Daar worden de kinderen gemakkelijk de dupe van.’

Gezinsadvocaat

Het concept van de gezinsadvocaat wordt uitgewerkt door een werkgroep. Kenmerkend voor deze gezinsadvocaat is dat hij niet gaat voor het belang van één cliënt, maar meervoudig partijdig is. Lid van de kerngroep Wampie van Arkel zei in het januarinummer van het Advocatenblad: ‘Zo kan de focus blijven op het belang van de kinderen en het bereiken van een duurzame regeling, waardoor ouders een oplossing krijgen voor hun geschillen en niet in een strijd terechtkomen of blijven.’

Lees minder <

Geheimhoudingsplicht geschonden? Ontslag op staande voet mogelijk

In een recente zaak was een man, werknemer bij een bedrijf, in gesprek met een

Lees verder >
In een recente zaak was een man, werknemer bij een bedrijf, in gesprek met een nieuwe werkgever. Vlak voordat hij bij zijn huidige werkgever aankondigt de overstap te maken de nieuwe werkgever, een directe concurrent, e-mailt hij de gehele klantenlijst van zijn werkgever, inclusief de bijbehorende afnamecijfers over twee jaar, aan het e-mailadres van zijn echtgenote. De werkgever komt hier achter en ontslaat de man op staande voet.

De rechter overweegt in deze zaak dat de werknemer geen goede verklaring had voor het naar zijn echtgenote e-mailen van de bedrijfsgegevens. De man voerde aan dat dat hij de e-mail had gestuurd omdat hij thuis een printer had en dat de e-amil handig was zo vlak voor de bouwvakvakantie, omdat hij vanuit huis werkte. Bovendien deed hij dit wel vaker. Daarnaast meende hij dat zijn echtgenote geen derde is, zodat de geheimhouding niet zou zijn geschonden.

Oordeel rechter

De rechter gaat niet mee met de man, allereerst omdat vanuit het perspectief van een werkgever de echtgenote als derde wordt beschouwd. Des te meer als het om gevoelige informatie gaat die onder de geheimhoudingsplicht van de werknemer valt. Daarnaast is van belang dat de man doende was over te stappen naar een concurrent. De rechter legt een forse boete op, plus aanvullende verboden om informatie van het bedrijf aan derden te verstrekken.

Oplossing?

Er zijn nogal wisselende rechterlijke uitspraken over de vraag of de werknemer bestanden van de werkgever naar zijn privé e-mailadres mag sturen. Dit kan immers prima passen binnen het normale kader van iemands werkzaamheden.

Om discussies te voorkomen is het opstellen van een intern beleid, bedrijfsregels en/of instructies met betrekking tot privacy, e-mail, internet, sociale media etcetera noodzakelijk om een handvat te bieden aan de werkgever wat betreft het optreden tegen werknemers die bedrijfsinformatie doorsturen buiten het interne netwerk.

Lees minder <

Juristen moeten zich gaan verdiepen in ‘blockchain’

Blockchain technologie heeft de afgelopen tijd snel aan bekendheid gewonnen en blijft nog lang belangrijk. Bedrijfsjuristen

Lees verder >

Blockchain technologie heeft de afgelopen tijd snel aan bekendheid gewonnen en blijft nog lang belangrijk. Bedrijfsjuristen doen er goed aan zich daarop voor te bereiden. Ze hoeven niet alle ins en outs van het programmeren te leren, maar het is noodzakelijk dat ze minimaal begrijpen waar het over gaat.

De bedrijfsjurist zal zijn eigen rol opnieuw moeten uitvinden, omdat het het juridisch landschap er over vijf jaar heel anders uitziet dan nu. Er bestaan in de juridische wereld nog veel misverstanden rondom het begrip blockchain. In het kort komt het erop neer dat met behulp van deze techniek op decentrale wijze gegevens worden verzameld, zonder dat er sprake is van een beheerder. Privacy wordt hierbij optimaal gewaarborgd. De meest kansrijke toepassingen van blockchain liggen in de sfeer van de transacties en bewijs.

Een van de meest populaire toepassingen van blockchain zijn de smart contracts. Het gaat hier over een uitvoeringsdocument waarin allerlei voorwaardelijkheden staan: als partij A iets doet, doet partij B automatisch iets anders. Denk daarbij aan een verzekeraar van vliegtuigmaatschappijen. In plaats van het opstarten van een lange claimprocedure, wordt via blockchain automatisch betaald zodra de database waarin alle vertragingen worden bijgehouden ververst wordt.

Juristen moeten met de tijd mee en opletten dat er geen misverstanden ontstaan. Zo kunnen spraakverwarringen tussen ‘techneuten’ en juristen grote gevolgen hebben voor het verloop van de zaak. Beide partijen moeten elkaar beter gaan begrijpen, de jurist zal zich moeten verdiepen in de technologie en de daarbijbehorende taal.

Oorspronkelijk artikel lezen? Klik hier.

Lees minder <

Bewindvoerder veroordeeld voor verduistering geld klanten

De rechtbank heeft een 42-jarige vrouw veroordeeld voor verduistering in haar functie als bewindvoerder. Ze

Lees verder >

De rechtbank heeft een 42-jarige vrouw veroordeeld voor verduistering in haar functie als bewindvoerder. Ze heeft een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, opgelegd gekregen.

De vrouw heeft zich ruim drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen van al haar 15 cliënten. Ze maakte een grote puinhoop van haar taak als bewindvoerder. Naast het verduisteren van gelden, hield zij nauwelijks administratie bij. Ook betaalde de vrouw sommige rekeningen niet en liet ze de schulden oplopen.

Grote gevolgen

Haar handelen heeft grote gevolgen gehad voor haar cliënten. Hun schulden liepen flink op. Bovendien zijn een aantal klanten (bijna) het huis uitgezet, terwijl sommigen voor lange tijd onverzekerd hebben auto hebben gereden. De rechtbank neemt het de vrouw zeer kwalijk dat zij telkens geld heeft weggenomen van deze kwetsbare mensen, terwijl het juist haar taak was om haar cliënten bij hun schulden te helpen. De vrouw heeft het verduisterde geld nog niet terugbetaald. De rechtbank vindt het verwijtbaar dat de vrouw de situatie zo onverantwoord lang heeft laten voortduren. Iedere keer verzon de vrouw smoesjes wanneer zij met haar disfunctioneren werd geconfronteerd.

Bijzondere voorwaarde

De rechtbank vindt alleen een deels onvoorwaardelijke celstraf een passende straf. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de lange periode waarover zij het feit heeft gepleegd. Bovendien spelen de kwetsbaarheid van haar cliënten en de grote gevolgen die het voor hen heeft gehad een rol in de straftoemeting. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbindt de rechtbank als bijzondere voorwaarde dat de vrouw schuldhulpverlening dient te volgen. Zo kan zij haar slachtoffers zo snel mogelijk terugbetalen.

Schadevergoeding

Tot slot moet de vrouw aan een aantal cliënten schadevergoeding, in totaal ruim 40.000 euro, betalen. Dit is het bedrag dat zij van hen heeft verduisterd.

Lees minder <

Verhaalbaarheid ontruimingskosten kraakpand

De deurwaarderskosten en de kosten voor toezicht bij de ontruiming van een gekraakte locatie moeten

Lees verder >

De deurwaarderskosten en de kosten voor toezicht bij de ontruiming van een gekraakte locatie moeten door de gebruikers aan de gemeente Den Haag vergoed worden. Dat heeft het gerechtshof Den Haag bepaald. Het Haagse hof heeft uitspraak gedaan over de financiële gevolgen van de ontruiming van ‘De Vloek’ te Scheveningen.

Uitspraak in eerste aanleg

In 2002 werd de Hellingweg 127 in Scheveningen gekraakt en kwam daar een zogenaamde broedplaats in, ook wel ‘De Vloek’ genoemd. De Vloek kreeg de locatie in bruikleen van de gemeente. In 2015 moest het kraakpand leeg en ontruimd worden om plaats te maken voor nieuwbouw. Veel gebruikers van De Vloek zijn toen vrijwillig uit het kraakpand naar een andere locatie vertrokken. De locatie is op 9 september 2015 door de politie ontruimd. De gebruikers die weigerden om vrijwillig weg te gaan, zijn door de politie uit het kraakpand gezet. Deze gebruikers hebben zich daarbij verzet met barricades en verfbommen. Zij zijn diezelfde dag aangehouden en daarna strafrechtelijk vervolgd. De gemeente heeft kosten gemaakt voor de deurwaarder, het weghalen van spullen, schoonmaak, toezicht en beveiliging en wil dat de achtergebleven gebruikers die kosten vergoeden. Deze civiele zaak ging daarover. De rechtbank heeft dit bij vonnis van 21 december 2016 gedeeltelijk toegewezen. De gebruikers en de gemeente zijn hiertegen in hoger beroep gegaan.

Uitspraak in hoger beroep

Het hof heeft bepaald dat de destijds achtergebleven gebruikers van het pand de deurwaarderskosten en de kosten voor toezicht op 9 september 2015 aan de gemeente moeten betalen. Deze kosten had de gemeente niet hoeven maken als de gebruikers vrijwillig waren weggegaan. Dat geldt niet voor de kosten voor het weghalen van spullen en schoonmaak. De gemeente heeft niet inzichtelijk gemaakt welke kosten hiervoor nodig waren. De loodsen op de locatie zijn direct gesloopt en alles tegelijk is afgevoerd. De kosten van beveiliging van het sloopterrein in de periode na de ontruiming zijn niet aan de gebruikers toe te rekenen. Deze kosten hoeven zij dus ook niet te betalen.

Lees minder <

Smartphone in houder bedienen tijdens besturen auto

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft uitspraak gedaan in een zaak over de oplegging van een sanctie

Lees verder >

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft uitspraak gedaan in een zaak over de oplegging van een sanctie op grond van de Wet Mulder voor het vasthouden van een smartphone tijdens het besturen van een auto. Het hof heeft degene aan wie de sanctie is opgelegd in het gelijk gesteld.

De beslissing van de kantonrechter

Op 24 juli 2017 heeft de kantonrechter in Leeuwarden geoordeeld dat onder het begrip ‘vasthouden’ ook moet worden verstaan het met één hand bedienen van een telefoon. Dit geldt ook indien deze geplaatst is in een telefoonhouder die bevestigd is op het dashboard. De kantonrechter heeft de sanctie van de officier van justitie in stand gelaten. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld door degene aan wie de sanctie is opgelegd en door de officier van justitie.

Hoger beroep van de officier van justitie niet-ontvankelijk

De officier van justitie is het eens met de beslissing van de kantonrechter maar heeft de zaak voorgelegd aan het hof, de hoogste rechter in Mulderzaken, om duidelijkheid te verkrijgen of ook in gevallen als deze sancties kunnen worden opgelegd.

Volgens het hof vormt deze wens van de officier van justitie geen belang voor de behandeling van het hoger beroep. Het hoger beroep van de officier van justitie is daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Wel de telefoon bedienen, niet vasthouden

In deze zaak kan niet worden vastgesteld dat de telefoon is vastgehouden tijdens het besturen, wat wel een strafbaar feit zou zijn. Volgens de verbalisant is de telefoon bediend tijdens het besturen van de auto terwijl de telefoon in een houder was geplaatst. Volgens het hof valt het bedienen van een mobiele telefoon terwijl deze niet wordt vastgehouden niet onder het bereik van artikel 61a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In dit artikel wordt gesproken over het vasthouden van een mobiele telefoon en niet van telefoneren.

Lees minder <

Ontzetting uit het lidmaatschap

Niet binnen elke vereniging is alles in orde. Soms is het nodig om een lid

Lees verder >

Niet binnen elke vereniging is alles in orde. Soms is het nodig om een lid te royeren, wat betekent dat het lidmaatschap van die persoon door de vereniging wordt opgezegd. Toch komt het niet vaak voor dat het geroyeerde lid een procedure start bij de rechtbank om toch lid te kunnen blijven. Eind januari is een vonnis door de Rechtbank Den Haag gewezen in een zaak waar dit wel speelde. 

Hoe was de situatie?

Twee leden veroorzaakten de nodige reuring binnen de vereniging. Diverse leden en bestuursleden hadden hun beklag gedaan of zelfs hun lidmaatschap van de vereniging opgezegd, vanwege het gedrag van de leden in kwestie. Het bestuur van de vereniging heeft uiteindelijk besloten het lidmaatschap van de twee te beëindigen, omdat het bestuur vond dat het gedrag niet langer getolereerd kon worden.

Procedure

De twee (ex)leden waren het niet eens met hun royering en legden hun zaak voor aan de rechtbank in Den Haag. Ze vorderden een verklaring voor recht dat de beëindiging van hun lidmaatschap door het bestuur nietig was, althans: ze vroegen de rechtbank de beëindiging te vernietigen. Ze stelden dat het besluit in strijd met de statuten was genomen. Bovendien stelden ze dat het besluit in strijd was met de beginselen van redelijkheid en billijkheid.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt in het vonnis voorop dat aan het lidmaatschap van een vereniging voor het lid rechten en verplichtingen zijn verbonden. Voor de leden gelden de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging. Daarnaast geldt artikel 2:8 BW, waarin is neergelegd dat de leden verplicht zijn zich tegenover elkaar te gedragen naar wat door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

Op grond van de statuten van de vereniging in kwestie eindigt het lidmaatschap door royement dat wordt uitgesproken door de ledenvergadering op voordracht van het bestuur. de rechtbank benadrukt dat zo’n besluit tot ontzetting geldt als een maatregel van tuchtrechtelijke aard en slechts als uiterste middel dient te worden toegepast. Aan de gestelde normen voor ontzetting wordt niet snel voldaan. De twee (ex)leden stelden zich bovendien op het standpunt dat het bestuur hen had geroyeerd, terwijl de algemene ledenvergadering daartoe gerechtigd was.

De rechtbank oordeelt echter dat de twee leden niet werden geroyeerd. Hun lidmaatschappen werden opgezegd op grond van artikel 2:35 lid 2 BW, wat een minder vergaande maatregel is. Deze bevoegdheid berust standaard bij het bestuur, tenzij anders is vastgelegd in de statuten. De rechtbank stelt verder dat bij het nemen van een dergelijk besluit de vereniging vrijheid toekomt. Deze vrijheid brengt met zich mee dat een besluit tot opzegging jegens het betrokken lid slechts ontoelaatbaar is als de vereniging in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen.

Oordeel

Het onderhavige geschil is ontaard in een situatie waarin het gedrag van de twee leden meerdere malen negatieve effecten heeft gehad op de (bestuurs)leden van de vereniging. De (ex)leden hebben meerdere keren de bandbreedte van artikel 2:8 BW overschreden. Daarnaast hebben ze in hoge mate bijgedragen aan het creëeren van tegenstellingen binnen de vereniging.

Daarmee is een punt bereikt waarop van de vereniging  niet kan worden gevergd hun lidmaatschap te laten voortduren en bestond voldoende grond voor opzegging van het lidmaatschap. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestuur van de vereniging in redelijkheid tot opzegging van het lidmaatschap heeft kunnen komen. De beëindiging blijft dus in stand.

Oorspronkelijk artikel? Klik hier.
Vonnis? Klik hier.

Lees minder <

Schade verhalen op een stelende werknemer

Het komt regelmatig voor. Werknemers die op de werkvloer van de werkgever stelen. Voorraad, inventaris

Lees verder >

Het komt regelmatig voor. Werknemers die op de werkvloer van de werkgever stelen. Voorraad, inventaris of geld bijvoorbeeld. Ontslag op staande voet of ontbinding van de arbeidsovereenkomst via de kantonrechter op grond van (ernstige) verwijtbaarheid lijkt dan voor de hand te liggen. Maar wat als de werkgever door de stelende werknemer veel schade heeft geleden? Voldoet in dat geval de sanctie van ontslag, of moet de werkgever (volledig) worden gecompenseerd voor de door hem geleden schade?

Magazijnvoorraden gestolen

Rechtbank Midden-Nederland boog zich eind 2017 over een dergelijke kwestie. De werknemer was sinds 1 maart 2014 werkzaam bij werkgever als elektro-/beveiligingsmonteur. Hij verrichtte zijn werkzaamheden (gedeeltelijk) in het open magazijn van werkgever. De werkgever bemerkte in de loop van 2016 dat de aantallen ingekochte goederen afweken van de aantallen verbruikte goederen. De werkgever heeft een verborgen camera opgehangen. Bovendien heeft hij een recherchebureau ingeschakeld om een onderzoek uit te voeren naar de vermissing van de goederen. Op enig moment gedurende dit onderzoek heeft de werknemer erkend spullen te hebben weggenomen uit het magazijn en deze te hebben doorverkocht. De werknemer heeft een handvol goederen en een gedeelte van zijn opbrengsten kort na zijn bekentenis teruggegeven/-betaald aan werkgever. De werkgever ontslaat zijn werknemer vervolgens op staande voet en start een aansprakelijkheidsprocedure.

Werknemer is aansprakelijk

De werkgever vordert om de werknemer op grond van een onrechtmatige daad c.q. wanprestatie te veroordelen tot betaling van € 221.780,74 ter vergoeding van schade die bestaat uit (i) schade wegens het verdwijnen van materiaal, (ii) de kosten voor het recherchebureau en (iii) schade als gevolg van de inzet van monteurs die aanpassingen hebben doorgevoerd in het beveiligingssysteem. Bovendien vordert de werkgever een gefixeerde schadevergoeding wegens de door de werknemer veroorzaakte dringende reden voor het ontslag op staande voet. Deze schadevergoeding bedraagt € 2.936,41. Daarnaast wordt gevraagd om een veroordeling van de werknemer in de proceskosten. De rechter oordeelt op grond van het voorliggende bewijs dat de werknemer in 2016 zonder toestemming van zijn werkgever groepenkasten en dimmers heeft weggenomen uit het magazijn. Hij verklaart voor recht dat de werknemer aansprakelijk is voor de daaraan gerelateerde schade. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is hoe hoog dit schadebedrag is.

Schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen

De rechter oordeelt dat de werkgever aanspraak maakt op een vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de diefstal (1.815 goederen ter waarde van in totaal € 95.914,31). De kosten van het aanpassen van de beveiligingssystemen bij klanten komen niet in aanmerking voor vergoeding. Door de werkgever was niet aangetoond dat dit noodzakelijk was. De inschakeling van het recherchebureau was wel noodzakelijk, aldus de rechter. De factuur van het recherchebureau komt daarmee voor vergoeding in aanmerking. Tot slot veroordeelt de rechter werknemer in de proceskosten en tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.

De schadevergoeding

De werkgever wordt in deze zaak uiteindelijk niet volledig gecompenseerd voor de gestelde schade, maar werknemer is desalniettemin veroordeeld om een fiks bedrag te vergoeden, namelijk € 100.977,31. Het is overigens nog maar de vraag of het vonnis daadwerkelijk met succes ten uitvoer ​kan worden gelegd. Zeker nu de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden en waarschijnlijk geen WW-uitkering heeft gekregen, wordt dit een lastige klus.

Cameratoezicht en recherchebureau

In beginsel is het aan de werkgever om zijn stellingen te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. Hij zal een zorgvuldig onderzoek moeten instellen naar het vermoeden van diefstal. Heimelijk cameratoezicht is in principe onrechtmatig, tenzij – kort gezegd – de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is. Ook als die noodzaak ontbreekt en de opnamen met de camera als onrechtmatig verkregen bewijs worden aangemerkt, kan de rechter oordelen dat dit bewijs mag worden gebruikt. In beginsel wegen het belang dat de waarheid aan het licht komt en het belang dat partijen erbij hebben om hun stellingen aannemelijk te kunnen maken zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Ook het inschakelen van een recherchebureau kan zinvol zijn om op een zorgvuldige manier bewijs te verzamelen. Dat opsporing- en onderzoekskosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, bleek bijvoorbeeld ook uit een vonnis van Rechtbank Arnhem.

Lees hier het originele artikel.

Lees minder <

Vergeefs protest tegen ‘betonnen’ regeerakkoord

Meer dan tweehonderd advocaten hebben op donderdag 1 februari in toga geprotesteerd tegen de volgens

Lees verder >

Meer dan tweehonderd advocaten hebben op donderdag 1 februari in toga geprotesteerd tegen de volgens hen ontoereikende financiering van gefinancierde rechtsbijstand. Tevergeefs, zo lijkt het, want de coalitiepartijen houden vast aan het ‘in beton gegoten’ regeerakkoord. Hierin is vastgelegd dat er geen cent extra komt voor de rechtshulp.

Minister Sander Dekker (Justitie en Veiligheid) wil de komende zomer met een plan komen om binnen het huidige stelsel tot verbeteringen te komen. Uitgangspunten daarbij zijn toegankelijkheid van het stelsel en een eerlijke beloning van advocaten.

Het vertrekpunt bij het debat was het rapport van de Commissie-Van der Meer. Hierin is berekend dat er 127 miljoen extra nodig is om advocaten een behoorlijk inkomen te bezorgen. De oppositiepartijen GroenLinks, PvdA, SP en DENK probeerden de minister er vergeefs van te overtuigen dat hij meer geld moet vrijmaken voor rechtsbijstand.

Dekker is van mening dat extra geld er niet inzit, omdat Nederland al 400 miljoen euro uitgeeft aan rechtsbijstand, wat in verhouding meer is dan andere landen. De minister voor Rechtsbescherming, die erkent dat advocaten in het stelsel worden onderbetaald, wil liever het systeem zelf tegen het licht houden, in plaats van ‘aan de knoppen draaien’.

De bewindsman verwacht dat de oplossing vooral zit in beperking van de instroom. Nu lokken gemeenten nog te vaak procedures uit, meent Dekker, net als de NOvA. Andere maatregelen waar Dekker onderzoek naar wil laten doen zijn technologische innovatie, pro-deo werk door commerciële kantoren en inzet van paralegals. Ook zei Dekker dat mensen soms te snel, te vaak en te lang procederen. De minister vindt dat anderen dan advocaten eerst aan zet moeten komen bij de hulpverlening aan mensen die kampen met multiproblematiek. Hij wil over oplossingen praten met betrokken partijen zoals advocaten en de Raad voor Rechtsbijstand. Herhaaldelijk viel daarbij de zinsnede “Een kopje koffiedrinken.”

De uitkomst van het debat was teleurstellend voor de linkse oppositiepartijen, en ook voor de talrijke advocaten die eerst buiten op de Hofplaats en later binnen op de publieke tribune hun ongenoegen kenbaar maakten. Na het antwoord van de minister verlieten de advocaten onder aanvoering van algemeen deken Bart van Tongeren de zaal. “Uit protest tegen de inbreng van de minister,” zei Van Tongeren. “Wij hebben geen behoefte aan een kopje koffie. Er liggen drie vuistdikke rapporten over de rechtsbijstand. We willen daden zien!”

Lees minder <